Uitleg Monisme, Dualisme en Gemengd/Semi Monistische Staatsrechtelijke Systemen

Uitleg Monisme, Dualisme en Gemengd/Semi Monistische Staatsrechtelijke Systemen

06-05-2021

Daar het internationale recht niet expliciet voorschrijft hoe en op welke manier verdragsverplichtingen dienen door te werken in het nationale recht, is het belangrijk goed te weten hoe deze materie mondiaal geregeld is.

Staten hebben over het algemeen de vrijheid zelf te bepalen op welke manier hun internationale verplichtingen doorwerken in de nationale rechtsorde. Deze vrijheid wordt altijd in de Grondwet geregeld, daar  het internationale recht elke staat verplicht om haar  nationale rechtsorde zodanig in te richten dat de staat haar internationale verplichtingen strict en nauwkeurig nakomt. Er zijn drie  typen stelsels van doorwerking van het internationale recht in de nationale rechtsorde: het monistische, het dualistische en het semi monistische stelsel.

Monisme

In een monistisch staatsrechterlijk systeem vormt het internationale recht en het nationale recht één rechtssysteem. Men gaat inprincipe er van uit dat het internationale recht van hogere orde is dan het nationale recht. Dit betekent dat zodra bijvoorbeeld een verdrag of conventie door een staat geratificeertd is, alle beginselen en rechtregels van dit verdrag rechtstreeks en dus zonder nationale omzetting, rechtstreeks  kunnen worden toegepast in de nationale wet- en regelgeving. Het internationale recht heeft dus directe interne werking. Dit betekent dat het internationale recht ten alle tijde boven de nationale wet- en regelgeving staat, dus ook boven de Grondwet. Men kan zich dus voor iedere nationale rechter wenden, teneinde zich op het internationale recht te beroepen. Een strikt monistische opvatting impliceert bovendien dat nationale rechtsnormen die in strijd zijn met het geldend internationaal recht volgens het derogatieprincipe Lex superior derogat legi inferiori buiten toepassing moeten blijven. Voorbeelden van landen met monistische  stelsels zijn Frankrijk en in zekere mate Nederland.

Dualisme

In de dualistische opinie vormen het internationale recht en het nationale recht twee aparte rechtssferen. Weliswaar is de staat door het volkenrecht eveneens gebonden aan het internationale recht, maar zonder omzetting naar het nationale recht hebben internationale bepalingen op nationaal niveau geen rechtskracht of effectieve juridische werking. Alle internationale verdragen moeten eerst in de nationale wet- en regelgeving worden opgenomen alvorens die kunnen gelden in formele zin. De ratificatieprocedure van elk verdrag gaat altijd vergezeld van de goedkeuring van een wet in formele zin, die de implementatie van het verdrag behelst. Dit houdt dus in dat de mogelijkheid bestaat dat latere nationale wetgeving wel eens  strijdig kan zijn met een eerder geratificeerd verdrag. Dit wordt juridisch “Treaty Override” genoemd. Voorbeelden van landen met een dualistische stelsel zijn Italie en de Verenigde Staten van Amerika (VSA). Reden waarom de VSA niet vaak toetreedt tot internationale verdragen.

Gemengd en Semi Monistisch Systeem 

Monisme en dualisme zijn conceptuele termen inzake de toepassing en de verhouding tussen het nationale en internationale recht. In de praktijk treft men vaak een gemengd systeem zoals in Suriname aan, waarbij een ieders verbindende bepalingen altijd directe werking hebben, zoals bij mensenrechten verdragen. . 

Nederland heeft net als Suriname een gematigd of semi monistisch systeem. De basis van het monistische stelsel in Nederland ligt in de jurisprudentie of te wel het ongeschreven constitutionele recht, zoals vastgelegd in het arrest Grenstractaat Aken (HR 3 maart 1919). In de Nederlandse Grondwet zijn echter beperkingen op dit stelsel te vinden, zoals de artikelen 93 en 94 die bepalen dat een ieder verbindende bepalingen uit internationale verdragen, die op grond van een strikt monistisch stelsel automatisch zouden doorwerken, pas doorwerken nadat ze zijn bekendgemaakt en dat niet, zoals in een strikt monistisch stelsel, alle internationale verdragsbepalingen voorrang hebben op het nationale recht, maar slechts die bepalingen die een ieder verbindend zijn. Hieruit bluikt overduidelijk dat de Nederlandse rechtsorde slechts een gematigd monistisch karakter behelst.

De eerste Grondwet van Suriname (1975) bepaalde in  artikel 118 het volgende: “Wetteijke voorschriften vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, nadat deze bekend zijn gemaakt”.

Dit hield in dat een ieder verbindende bepalingen van conventies, verdragen en in sommige gevallen zelf declaraties zoals de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en de VN Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken (UNDRIP), allen mensenrechten instrumenten, ingevolge de Grondwet verbindende kracht hadden,  zodra die in het Staatsbad waren gepubliceerd. Dit was uitermate belangrijk voor natuurlijke en rechtspersonen die een beroep wensten te doen op de internationaal erkende mensenrechten instrumenten bij de Organistie van Amerikaanse Staten (OAS) en de Verenigde Nates (VN).

Dit beginsel werd daarna wederom in de Grondwet van 1987 opgenomen (S.B. 1987 no.116), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijziging bij S.B. 1992 no. 38) en luidt alsvolgt, Artikel105: “Bepalingen van de in artikel 103 bedoelde overeenkomsten, welke naar de inhoud een ieder kunnen binden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt”. Ook hier ging het duideijk om bepalingen in mensenrechten verdragen getuige de zinsnede: “welke naar de inhoud een ieder kunnen binden”.

Door: Dr. Mr. Henry L. Mac Donald LL.M.